Kruimelpad
- Home
- Onderwerpen
- Overheidspersoneel
- Pensioenen
Inhoud pagina: Pensioenen
Introductie
In Nederland zijn voor de meeste werknemers in het kader van de arbeidsverhouding pensioenafspraken gemaakt. Zo ook voor de werknemers in dienst bij de overheid en het onderwijs. De collectieve pensioenregeling voor overheids- en onderwijspersoneel is ondergebracht bij de stichting Pensioenfonds ABP.
- Ouderdomspensioen;
- Overgangsregeling;
- Nabestaandenpensioen;
- Pensioenreglement;
- Stichting Pensioenfonds ABP;
- Vragen over uw pensioen?
Ouderdomspensioen
Het overheids- en onderwijspersoneel bouwt ouderdomspensioen bij het ABP op over zijn jaarinkomen voorzover dit uitgaat boven de franchise. De franchise is het deel van het inkomen waarover geen ABP-pensioen wordt opgebouwd, omdat de ambtenaar voor dat deel AOW
ontvangt. Tot 1 januari 2004 werd pensioen opgebouwd met een gematigde eindloonregeling. Sinds 1 januari 2004 wordt pensioen opgebouwd met een (voorwaardelijk geïndexeerde) middelloonregeling.
Ambtenaren kunnen het ouderdomspensioen laten ingaan tussen de leeftijd van 60 jaar en 70 jaar. Ambtenaren kunnen ervoor kiezen om eerst gedeeltelijk met pensioen te gaan. Naarmate de ambtenaar later uittreedt is de pensioenuitkering hoger.
Overgangsregeling
Sinds 2006 is de FPU-regeling (Flexibel Pensioen en Uittreden) beperkt. De regeling is alleen nog van toepassing op ambtenaren die al een FPU-uitkering ontvingen en op ambtenaren die geboren zijn voor 1950 met een ononderbroken dienstverband sinds 1 april 1997. Alle ambtenaren die onder deze overgangsregeling vallen zijn inmiddels de minimum uittreedleeftijd voor de FPU van 55 jaar gepasseerd. Naarmate de ambtenaar later uittreedt, is de FPU-uitkering hoger. De FPU-uitkering stopt als de overheidswerknemer 65 jaar wordt.
Voor ambtenaren die geboren zijn na 1949 geldt een overgangsregeling. De regeling voorziet erin dat deze groep voorwaardelijk ouderdomspensioen over de verstreken diensttijd voor 2006 kan inkopen. Op deze manier geldt op het moment dat het pensioen ingaat een hoger resultaat.
Nabestaandenpensioen
Nabestaandenpensioen geldt voor de partner en ongehuwde kinderen (jonger dan 21 jaar) van de overheidswerknemer die tijdens de loopbaan overlijdt en van de gepensioneerde die een pensioen van het ABP ontvangt. Mocht de gepensioneerde ambtenaar overlijden voor de leeftijd van 65 jaar, dan bestaat alleen het recht op het nabestaandenpensioen berekent over dienstjaren voor 1 juli 1999.
Naast dit ABP-nabestaandenpensioen kan voor de partner jonger dan 65 jaar ook recht bestaan op de Algemene Nabestaandenwet
(ANW).
Als de ANW niet of niet volledig wordt uitgekeerd bestaat onder voorwaarden recht op ANW-compensatie.
Pensioenreglement
De pensioenaanspraken voor het overheids- en onderwijspersoneel staan in het pensioenreglement ABP
.
Het pensioenreglement is zoveel mogelijk geordend op de volgende prodcuten:
- ouderdomspensioen;
- partnerpensioen bij overlijden voor 65 jaar;
- partnerpensioen bij overlijden na 65 jaar;
- wezenpensioen;
- ABP-arbeidsongeschiktheidspensioen;
- flexibel pensioen (FPU-reglement
). Geldt voor deelnemers die geboren zijn voor 1950, die een ononderbroken dienstverband hebben sinds 1 april 1997
In het reglement is verder een splitsing aangebracht tussen de actuele pensioenregeling en het overgangsrecht. De actuele pensioenregeling omvat de artikelen die voor alle belanghebbenden relevant kunnen zijn. Het overgangsrecht houdt verband met in het verleden opgebouwde aanspraken en is daardoor niet voor alle doelgroepen relevant.
Stichting Pensioenfonds ABP
De Stichting Pensioenfonds ABP beheert de pensioenen van het overheids- en onderwijspersoneel. Dit fonds is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de pensioenen. De financiering vindt plaats door bij de overheidswerkgevers premies in rekening te brengen en die premies vervolgens te beleggen. Deze wijze van pensioenfinanciering wordt kapitaaldekking genoemd. De overheidswerkgevers betalen de pensioenpremies niet helemaal zelf. Dertig procent daarvan wordt door de werknemers opgebracht.
De Wet privatisering ABP
(WPA) is vanaf 1 januari 1996 van kracht. In de WPA is geregeld dat het ABP een pensioenfonds op privaatrechtelijke basis is. Een belangrijk gevolg van de WPA is dat de pensioenen van het overheidspersoneel bij overeenkomst tussen sociale partners worden vastgesteld en niet meer door de wetgever bij wet eenzijdig kunnen worden opgelegd.
De zeggenschap over de pensioenregeling is op centraal niveau neergelegd. De gezamenlijke sectorwerkgevers (verenigd in het Verbond Sectorwerkgevers Overheid, VSO) onderhandelen met de samenwerkende centrales van overheidspersoneel (SCO) over het overheidspensioen. Deze onderhandelingen over en vervolgens de vaststelling van de materiële pensioenaanspraken – de pensioentoezegging – vinden plaats binnen de Pensioenkamer. Dit is een overlegorgaan binnen de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP).
Volgens de statuten van de stichting ABP bestuurt het bestuur het fonds. Hierbij valt met name te denken aan zaken als premiestelling en beleggingsbeleid. Het bestuur bestaat uit twaalf leden en een onafhankelijke voorzitter. Zes bestuursleden worden benoemd door het Verbond van Sectorwerkgevers Overheid (VSO) en zes door de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel (SCO). De overheid participeert dus wel in het ABP-bestuur maar dan in de hoedanigheid van sectorwerkgevers.
Vragen over uw pensioen?
De uitvoering van de AOW en de ANW is in handen van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Hebt u vragen over de AOW of de ANW, dan kunt u voor meer informatie de Sociale Verzekeringsbank
raadplegen. Hebt u vragen over uw ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen, dan kunt u zich het beste wenden tot het pensioenfonds van uw (ex)werkgever. Voor ambtenaren is dat het pensioenfonds ABP
. Bij het pensioenfonds ABP kunt u ook terecht voor vragen over de FPU.
